-
Voldoen beide soorten nieuwe contracten (SPR en FPR) aan de drie doelen? Zo ja, in welke mate
De wet kent 3 doelen: "een aanvullend pensioen dat sneller stijgt, een persoonlijkere en duidelijkere pensioenopbouw, en een pensioenstelsel dat beter aansluit bij dat mensen niet meer 40 jaar bij 1 baas werken."
Ja, beide regelingen voldoen aan de 3 doelen.
- Er gelden in de nieuwe regelingen lagere eisen voor het aanhouden van buffers. Daardoor is de verwachting dat pensioenen sneller kunnen stijgen. Ook gaan pensioenfondsen bij het beleggen meer rekening houden met de leeftijd van deelnemers. Voor jongere deelnemers wordt meer gestuurd op rendement, voor oudere deelnemers meer op zekerheid. Per saldo is de verwachting dat het de hoogte van het pensioen hierdoor positief wordt beïnvloed.
- In de nieuwe regeling krijgen deelnemers inzicht in het vermogen dat beschikbaar is voor hun pensioen. Dat is de optelsom van het geld dat de werkgever en de werknemer samen hebben ingelegd plus het rendement daarop. Iedereen heeft straks een persoonlijke pensioenpot. Voor de actieve deelnemers worden er afspraken gemaakt over hoeveel premie door de werkgever en door jou wordt ingelegd.
- Het vermogen in de persoonlijke pensioenpot is straks eenvoudiger over te dragen naar een pensioenregeling bij een andere werkgever. Door de verschillen in pensioenregelingen die nu nog bestaan zijn de uitkomsten van een waardeoverdracht lastig te vergelijken. In de nieuwe regelingen staat vooraf vast hoeveel premie de werkgever en werknemer inleggen. Daardoor zijn de pensioenregelingen straks beter vergelijkbaar als je (verder) van baan wisselt.
-
Lopen we met deze vorm niet het risico als het niet goed gaat met de economie dat er niets overblijft van het pensioen?
In de nieuwe regelingen kan een aantal risico's worden afgedekt met buffers of verzekeringen (zoals dat is nu ook het geval is). De beleggingsmix van jouw persoonlijke pensioenpot wordt zodanig samengesteld dat naarmate je de pensioendatum nadert er minder risico wordt genomen met pensioengeld. Dus de kans op een situatie dat er niets overblijft is vrijwel nihil.
-
Alle organisaties in Nederland gaan deze keuze maken. Wat is de 'ideale verdeling' om deze transitie een succes te laten zijn?
Alle pensioenregelingen moeten worden aangepast aan de Wet Toekomst Pensioenen. De wetgever heeft daarbij geen verdeling voor ogen van de keuze voor een flexibele- of solidaire regeling. Bij beide varianten is het uitgangspunt dat er afspraken gemaakt worden over de ambitie en de premie inleg van de werkgever en werknemer. Beide varianten kennen mechanismen waarbij risico's kunnen worden beperkt. Bijvoorbeeld door het aanhouden van buffers of verzekeringen.
-
Zijn dit ook dezelfde keuzes die gelden voor P3 opbouw?
Nee, op derde pijler (P3) pensioen (bijvoorbeeld in de vorm van: individuele lijfrenten, koopsommen en levensverzekeringen) is de pensioenwet niet van toepassing. Dit valt onder de Wet op het Financieel Toezicht (Wft). Derde pijler pensioenopbouw is vrijwillig en individueel in tegenstelling tot pensioen uit de eerste pijler (de AOW) en tweede pijler, het pensioen bij de werkgever. Banken en verzekeraars bieden pensioenproducten waarin gespaard kan worden voor pensioen, mits er 'fiscale ruimte' is. Wanneer via de werkgever al fiscaal maximaal pensioen wordt opgebouwd, is er geen mogelijkheid bij te sparen voor pensioen in de derde pijler. Als die ruimte er wel is, mag de inleg in mindering worden gebracht op de inkomstenbelasting en wordt er geen vermogensrendementsheffing geheven (box 3) over het vermogen dat wordt opgebouwd in de derde pijler. De uitkering is wel belast, maar je betaalt hierover geen AOW-premie meer. Met de komst van de Wet Toekomst Pensioenen is de fiscale ruimte verruimd tot 30% van de pensioengrondslag.